Van Lisse naar Amsterdam

Het vliegtuig poept een lichtje uit
Oh Mandy strijkt haar haar uit haar gezichtje
‘Ik moet het landschap hier onthouden’
denkt de bronzen man met de gaten in zijn lijf
Hij laat zijn bronzen manden
vallen en klimt een busje in
Zijn pols ligt losjes op het stuur
Terwijl hij rijdt oreert hij met zijn handen
En Oh Mandy die zich afvraagt:
‘Hoe doet hij dat,
het stuur vasthouden en zo
het gesprek gaande houden’
voor ze op zijn wenk afslaat
en hun wegen zich scheiden
zodat de man vol spijt
verder moet rijden, naast
Betonreparatie,
naast een zwarte moeder die haar
kinderen vol zelfvertrouwen
de stad in stuurt
De man denkt aan de buurt
waar hij vandaan kwam,
aan de geelgroene lucht boven
kale bollenvelden,
aan de lege kassen,
aan het huis zonder raam of deur,
aan de kruisbanden door machines over klei gedrapeerd
Hij voelt de wind door de gaten in zijn lijf waaien
Hij denkt aan bij elkaar gegraaide tulpenbollen
Hij wil de lege manden pakken en ze vullen
maar ze liggen bij
Oh Mandy in de wagen

‘Oh Mandy, well you came and you gave without taking
but I sent you away, Oh Mandy’