Het voorjaar

Het voorjaar zet een struik in groene waas
Ik zie een wezen dat zich druipend opricht uit de vaart
Zijn houten wangen blozen licht
en dwaas schudt het zijn manen
Kataklop, kataklop
Zijn hoef drukt jonge netels in een brandgang,
die zurig ruikt naar oude dennen, sparren
Kataklop, kataklop
Twee glanzend bruine lijven bij de plas,
een bit dat weigert
Twee amazones verleid door de spiegel
Kataklop, kataklop,
ik ben een paard
De spiegel baart een indiaan
Drie mustangs draven naar omhoog
Kataklop, kataklop
en op het pad snel ingehaald
door de schaduw van een centaur