Ik plantte heide in de polder
want het was herfst, en bij het
tanken werden gratis plantjes uitgedeeld
Toen ik thuiskwam vond ik nog een
oude foto op de zolder, van een familieaangelegenheid,
die leek op een verlovingsfeest
Opgepoetst en glimmend zit mijn oudoom daar,
met aan zijn rechterhand de bruid die in de verte staart,
waar zondoorgoten glasgordijnen voor de ramen hangen
In de ogen van hen beiden glanst een diep verlangen
dat als een traan het vocht op tantes zachte lippen evenaart
en in het knoopsgat van mijn oudoom steekt een takje hei,
de vaas stond toch op tafel, kom ik pluk je,
vandaag ben je van mij
Het is een monochrome foto, vol met bloemen, kleur,
en bijna iedereen, mijn overgrootmama,
de man die naast haar zit, kijkt blij
Alleen de zusters niet, de ene jong – hoelang
moet ze daar zitten voor die foto – de andere nog altijd vrij
Zij heeft gedecideerdheid om haar mond,
in haar blik, geen spoortje van verdriet
Mijn moeder zei het, ongelovig, oudtante was
met liefde toch m’n petemoei geworden:
‘Ze had een vrijer kunnen krijgen, maar ze wilde niet’
Er staat een lege stoel, een glas
Oudtante vulde even bij
Uit de foto blijkt heel duidelijk
dat in het hart van oudooms bruid
die middag één belangrijk woord geschreven werd
in tekens die ik kennen wil. Het leest als: WIJ
In de tuin achter het zonnig raam
bloeiden rozen, lathyrus,
en zaten jonge wortels in de grond,
die groeiden er voor mij