Het gezin van Van den Eerenbeemt-De Hosson telde vier kinderen. Mijn oma Sepha was de jongste, veertien jaar jonger dan haar zus Mies en zestien jaar jonger dan broer Herman. De op een na jongste, Jean, was op tweejarige leeftijd overleden. Op de foto allemaal om de tafel op Rozenhof, – een rietgedekte villa die nog steeds bestaat, maar niet meer van de familie is – in Vught.
Van links naar rechts: Oudtante Willy van den Eerenbeemt-Attema, oudoom Herman van den Eerenbeemt, overgrootouders Van den Eerenbeemt-De Hosson, mijn oma Josepha en achteraan bij het raam oudtante Mies. Oom Herman was uitgever en publicist en – naar we sinds kort weten – amateurfilmer. Hij had een eigen tijdschrift, Opgang.
Tante Willy maakte mooie beeldjes. De laatste jaren van haar leven woonde zij als ‘paying guest’ in een klooster in Nederhorst-den Berg. Daar gingen we haar weleens bezoeken en langs de weg stonden dan op gegeven moment twee leeuwtjes op zuilen bij een oprijlaan. Die had zij gemaakt. ‘De leeuwtjes van tante Willy!!’, riepen we dan als kind, dan waren we er bijna, betekende dat. Op de foto een reliëf van tante Willy dat vroeger bij ons thuis op de schoorsteenmantel stond en ook voorkomt op de film die oudoom Herman rond 1929 maakte. De schroeven zijn een latere toevoeging.
Ook oma had artistieke ambities. Bij mij aan de muur in mijn slaapkamer hangt een tekening van de IJzeren Man in Vught die mijn oma maakte in het jaar dat ze vijftien werd. Ik heb hem opnieuw laten inlijsten en het bosgezicht is het eerste dat ik ’s morgens zie als ik wakker word en het laatste als ik ga slapen. Van haar ambities merkte ik als kind dit: Paaseieren kleuren door ze in groentenat te koken, en dat mislukte, alle eieren waren gebarsten. ‘Geeft niet hoor oma, ik vind ze wel lekker’, zei ik dan.
Mijn oudtante Mies was mijn peetmoeder. Als mijn oudere broer en zus bij opa en oma gingen logeren, ging ik naar tante Mies. Ze was nooit getrouwd geweest en had tot hun dood bij haar ouders op Rozenhof gewoond.
Na hun overlijden moest het huis worden verkocht en verhuisde ze naar de Van Voorst tot Voorststraat, tegenover de eendenvijver. Ze had op Rozenhof altijd voor de tuin gezorgd en had nu weer een goedverzorgde tuin, een soort moestuin met vooraan snijbloemen en achteraan groenten en aardappelen. Ze verzamelde porselein en aardewerken tulpenvazen.
Volgens mijn tante was oudtante Mies ‘ne precieze en was ze erg streng, maar ik vond dat precieze juist wel prettig, in vergelijking met de drukte thuis van vijf kinderen op een bovenhuis in Amsterdam. Ze liet me zilverpoetsen en porselein afstoffen, en demonstreerde hoe je kristallen glazen kon laten zingen door met je vinger over de rand van het glas te wrijven. Dat lukte niet, maar later had ze het bij iemand nagevraagd en bleek dat je er water in moest doen. Iedere middag na het middagslaapje was er thee met melk uit een Delfts Blauw melkkoetje. Dat werd na het theedrinken weer zorgvuldig afgewassen, een lastig klusje. Daarna gingen we buiten de eendjes voeren.
Op de foto: oudtante Mies uiterst rechts. In het midden de heer en mevrouw Attema, de ouders van oudtante Willy. Onder: Tante Mies’ bijdrage in mijn moeders poesiealbum. Het plaatje dat ze erin heeft geplakt lijkt op haarzelf!
Lees ook op het gedichtenblog:
Het knoopsgat van Oudoom en bekijk daar een diashowtje met foto’s uit mijn eigen tuin.
