Mijn grootouders van moederskant woonden in onze jeugd op Peterhof in Vught. Daar gingen we regelmatig heen en bleven er soms logeren. Ik heb er goede herinneringen aan, alleen vond ik het huis op de een of andere manier niet mooi genoeg ingericht, te koud, te donker, te sleets. Een keer droomde ik dat we erheen gingen en dat er een zijgang was met allemaal prachtige kamers, schitterend ingericht met overvloedig gedekt tafels en glinsterende kroonluchters. (Ik had toen de leeftijd dat ik alles wat roze en goud pas echt mooi vond). De droom was zo levensecht, dat ik me niet kon voorstellen dat die gang er in het echt niet was. Telkens als we naar Vught gingen zat ik vol verwachting in de auto, want je kón niet weten natuurlijk, maar natuurlijk bleek telkens opnieuw de gang er niet te zijn.
Wat doe je dan als je groot bent? Je laat je man het droomhuis bouwen, en noemt het naar de maker ‘Peter’s Court’.
